De wet van 1912

De wet op de kinderbescherming
15 mei 1912

Ontzetting uit de ouderlijke macht – de kinderrechtbank

De ontzetting uit de ouderlijke macht

Voor het in voege treden van de wet van 1912 gold in eerste instantie nog de wetgeving van de Franse Revolutie en het daarop volgende Keizerrijk. Het Burgerlijk Wetboek legt de positie van het kind vast binnen zijn familie die hem de allereerste veiligheid en bescherming moet verzekeren. De auteurs van de Code Civil beschouwden de ouderlijke macht in principe als toevertrouwd aan de vader om er zich van te bedienen in het uitsluitend belang van het kind. Slechts uitzonderlijk wordt ze toevertrouwd aan de moeder, ingeval vader ontbreekt. Het droit de garde voorziet o.m. dat de vader de verblijfplaats van het kind bepaalt. Als onderdeel daarvan is het droit de correction paternelle een overblijfsel uit het romeinse recht : de vader kan zijn kind van minder dan 16 jaar laten opsluiten in de gevangenis zonder de minste controle of zonder een beroep te doen op enige juridische autoriteit.

De Code Civil voorziet echter niet in de mogelijkheid van ontzetting uit de ouderlijke macht. Sedert een uitspraak van 10 augustus 1870 van het Hof van Beroep van Gent, zal de rechtspraak echter aanvaarden dat de ouderlijke macht kan ingeperkt worden wanneer de ouders een algemeen bekend wangedrag vertonen of wanneer het belang van het kind het dringend vereist. Bovendien was de ontzetting reeds het gevolg van bepaalde strafrechterlijke veroordelingen van de ouders. De wet op de kinderbescherming zal de tendensen die reeds in de jurisprudentie plaatsvonden op wettelijke basis moeten consacreren.

Ook de hulpverleners dringen aan op gerechtelijke tussenkomst. Tot nu toe kunnen ze hun beschermingsactiviteit vaak maar uitvoeren na overreding van de ouders. De initiatieven van de ouders konden dan nog vaak hun bedoelingen doorkruisen. De kinderbescherming ontstaat dus mede uit de behoefte aan opgelegde hulpverlening.

Het eerste hoofdstuk van de wet op de kinderbescherming van 1912 betreft dan ook de ontzetting uit de ouderlijke macht. O.m. wanneer de gezondheid, veiligheid en zedelijkheid van het kind gevaar loopt, wordt een ontzetting uit de ouderlijke macht mogelijk. Het is niet langer de strafrechter, maar de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg die de ontzetting zal uitspreken. In 1913 sprak men 128 ontzettingen uit, in 1923 reeds 237. Op het einde van 1923 zijn reeds 1998 kinderen van ontzette ouders geplaatst : 30 % van hen zijn toevertrouwd aan een particulier, 70 % aan een instelling (Velge, 1925, p. 34).

De kinderrechtbank

De wet op de landloperij en de bedelarij luidt uiteindelijk een nieuwe etappe in die zal leiden tot de wet van 1912 “qui marque une orientation extrêmement progressive et qui établit un contraste frappant avec toute notre vieille législation du début du XIXe siècle” (Velge, 1919, I, p.5). Deze wet van 27 november 1891 schaft de politiestraffen af voor minder dan 16-jarigen. Enkel de berisping en de ter beschikking stelling blijven behouden. Deze wet laat ook toe om het kind op leercontract te plaatsen of in een liefdadigheidsinstelling. De Minister kan de minderjarige ook voorwaardelijk aan zijn ouders teruggeven. Het betreft hier dus een administratieve ondertoezichtstelling.

Voor 1912 trad de strafrechter nog op tegenover delinquente minderjarigen beneden de 16 jaar. De Code Pénal installeerde wel reeds een speciaal regime om tegenover hen op te treden. De rechter moest nagaan of de jonge verdachte of beschuldigde de misdaad beging mét of zonder onderscheidingsvermogen. In het eerste geval wordt hij gestraft, maar minder zwaar dan een volwassene voor gelijkaardige feiten. In het tweede geval volgt een vrijspraak, maar het vrijgesproken kind kan ter beschikking gesteld worden van de regering tot aan zijn 25e levensjaar. Dit regime bevestigde de aan gang zijnde verandering van een repressief naar een correctief recht. O.i.v. de reeds talrijk aan gang zijnde debatten omtrent de invoering van een kinderrechtbank, pasten de rechters deze bepalingen evenwel op soepele manier toe zodat de vraag naar het onderscheidingsvermogen vrijwel altijd negatief werd beantwoord.

De wet van 15 mei 1912 voorziet nu in zijn tweede hoofdstuk binnen de rechtbank van eerste aanleg de installatie van een kinderrechter die als opdracht heeft “recht te spreken over minderjarigen” (art.11). Hij zal ten aanzien van de minderjarigen die voor hem verschijnen maatregelen kunnen nemen “tot bewaking, opvoeding en behoeding.”­ (art.13). Dit tweede luik treft dus minderjarigen die zélf iets misdoen, ofwel zichzelf in gevaarstoestand (gevaar om delinquent te worden) brengen door hun gedrag (bedelen, prostitutie,… of activiteiten die kunnen leiden tot bedelen, prostitutie, enz..). Artikel 14 voorziet dat de kinderrechter maatregelen kan nemen ten aanzien van minderjarigen beneden de leeftijd van 18 jaar die “door hun wangedrag of hunne onbuigzaamheid, ernstige redenen tot ongenoegen geven aan hunne ouders, aan hunnen voogden of aan de andere personen, onder wier hoede zij werden geplaatst”. Dit geval verwijst naar het droit de correction. Vanaf nu moet de vader echter eerst de tussenkomst eisen van de kinderrechter. Het artikel zal later gebruikt worden om ook minderjarigen van meer dan 16 jaar oud onder de bevoegdheid van de kinderrechter te brengen.


Eerste versie 30 november 2003
Laatste aanpassing :