KB – Het criterium voor de interventie

De ‘probleemsituatie’
of het criterium voor interventie
in de kinder- en jeugdbescherming

1912 : Kinderbescherming

Vanaf 1912 kunnen de kinderen voor drie belangrijke problemen onder de jurisdictie van een of andere gerechtelijke autoriteit komen.

  • De burgerlijke rechtbank spreekt de ontzetting uit de ouderlijke macht uit in de reeds genoemde gevallen (zie kinderbescherming. Belangrijke uitbreiding is echter de mogelijkheid om de ontzetting uit te spreken indien de ouders de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van hun kinderen in gevaar brengen (art.3, 2 ). Dit is in de termen van de wet het geval “door slechte behandeling, misbruik van gezag, hun slecht levensgedrag of erge nalatigheid in het vervullen van hunne wettelijke verplichtingen”. “Cette énumération est vague” zegt Velge, maar “elle présente une assez grande élasticité qui doit permettre au juge d’étendre les principes que la jurisprudence antérieure à la loi avait déjà consacrés.” (1919, I, p.18).
  • Kinderen die misdrijven plegen waarvoor volwassenen gestraft worden – wat men samenvat in het concept jeugddelinkwentie – worden nu door de kinderrechter beoordeeld i.p.v. door de strafrechter.
  • De kinderrechter neemt ook maatregelen tegenover kinderen omwille van hun gedragingen die voor volwassenen geen aanleiding zijn tot gerechtelijk ingrijpen. Dit zijn de zgn. statusdelicten, samen te vatten in het concept pre-delinkwentie. Zo kan hij op verzoek van de ouders maatregelen nemen tegenover kinderen van minder dan 18 jaar die “door hun wangedrag of hunne onbuigzaamheid, ernstige redenen tot ongenoegen geven aan hunne ouders, aan hunne voogden of aan de andere personen, onder wier hoede zij werden geplaatst” (art. 14). Verhellen denkt in dit geval aan gedragingen zoals weglopen, ongehoorzaamheid, drinken, roken, te laat thuis komen, enz. (1988, p.35). Ook artikel 15 is ruim. De rechter kan niet enkel optreden indien de minderjarige beneden de 16 jaar zich overlevert aan prostitutie of ontucht, maar ook wanneer hij zijn middelen van bestaan zoekt “in het spel of in handelingen of bezigheden die kunnen leiden tot prostitutie, tot bedelarij, tot landlooperij of tot criminaliteit”.

Er blijft echter tussen de eerste en de twee andere categorieën nog “un intermédiaire” die de toenmalige Directeur-Generaal van de Dienst voor Kinderbescherming Maus de zedelijk verwaarloosde kinderen noemt. “On ne poursuit pas la déchéance de l’exercice de la puissance paternelle, parce que la faute des parents n’est pas assez caractérisée ou est, en partie, excusable par la misère. On ne traduit pas l’enfant en justice, parce que les faits ne sont pas suffisamment caractérisés; l’enfant n’est pas encore un vagabond ou un délinquant, mais il le deviendra sûrement.” (p.4) Waar de termen van de wet volgens Velge vaag genoeg zijn om deze categorie te omvatten, zijn volgens Maus de feiten niet altijd ernstig genoeg. Een preventieve aanpak is echter vereist en dat gebeurt dan door de beschermingscomités en de sociétés protectrices des enfants martyrs. Het ging volgens Maus in 1927 om zo’n duizendtal kinderen. Hij vindt tenslotte dat de situatie van deze kinderen “devrait être réglée par la loi” (p.5). Overigens zullen later ook de procureurs zelf zich met deze (voorbode van) sociale bescherming bezighouden.

1965 : de gevaarstoestand

Na 1965 wordt de gevaarstoestand de centrale notie : de comités worden speciaal opgericht om preventieve acties te voeren ten voordele van de kinderen in gevaar, maar ook de jeugdrechtbank kan nu optreden voor die categorie minderjarigen.

Het begrip zelf wordt veel ruimer omschreven dan in 1912. De beide jeugdbeschermingsinstanties treden nu op wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van een minderjarige gevaar loopt “wegens het milieu waarin hij leeft of wegens zijn bezigheden of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van degenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren” (art.2, en in min of meer dezelfde bewoordingen, art.30). Hoewel deze verschuiving van het toepassingsgebied in 1965 dus een grote verruiming betekende van het bemoeiingsrecht van de overheid, aanvaardden de meeste commentatoren dat het moest gaan om een “ernstig gevaar voor de persoonlijke ontwikkeling van de minderjarige of voor diens maatschappelijke aanpassing en slechts in die gevallen waarin de personen die voor de minderjarige aansprakelijk zijn niet spontaan de nodige maatregelen troffen” (Ceulemans, p.58).
De jeugdrechter blijft natuurlijk ook bevoegd tegenover minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en tegenover hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen (nog steeds ! daar is het in feite mee begonnen !).

1985 : de problematische opvoedingssituatie

Vanaf 1985 spreekt men van problematische opvoedingssituatie. De omschrijving van de interventiegrond is ruimer dan ooit tevoren. Men spreekt nu van “bijzondere gebeurtenissen”, “relationele conflicten” en “omstandigheden waarin ze leven”.
De term komt uit de orthopedagogie, waarin men de probleemsituatie benadert als opvoedkundige. Men richt zich daarbij naar hulpvragende mensen, “in zoverre die in een pedagogische relatie tot elkaar staan en daarin problemen ondervinden. Het opvoeden blijkt dan niet meer spontaan en vanzelfsprekend te verlopen. Het moet specifiek worden.” (Kok, 1984, p.15). Overigens staat ook in de orthopedagogie zelf de breedheid van het concept ter discussie (De Fever).

De Memorie van Toelichting bij het ontwerp-decreet inzake bijzondere jeugdbijstand zegt dat het begrip “problematische opvoedingssituatie” een geactualiseerde omschrijving is ter vervanging van de vroegere notie “kind in gevaar”. “Dit begrip verwijst naar situationele, pedagogische en relationele probleemcomponenten. Er wordt in deze termen tot uitdrukking gebracht dat de herkenbare problemen mede kunnen ontstaan door de leefomgeving van de minderjarige of het opvoedingsproces, en dat ze geëvolueerd zijn tot een situatie waarbij de ontplooiingskansen van de minderjarige bedreigd worden.” (Steyaert, 1985).

Reflectie

Van bij de aanvang hanteert men in de kinder- en jeugdbescherming drie begrippen om de doelgroep af te bakenen : de jeugddelinkwentie en de kinderen-slachtoffers, de gevaarstoestand en de bedreigde ontplooiingskansen. De gevaarstoestand is in 1912 één van de redenen voor een ontzetting uit de ouderlijke macht. Ook in de V.S. stelt men in 1930 dat de Child Protection Service werkt ten voordele van de kinderen “whose physical, mental or moral welfare is endangered (…); whose rights on welfare are violated and threatened” (Anderson, 1989, p.231). En Carton de Wiart ziet in 1913 als een van de opdrachten van zijn tijd en meer in het bijzonder van de kinderbescherming het “égaliser les chances de développement moral et intellectuel de petits êtres qui sont égaux devant la destinée”. Ook de bedreigde ontplooiingskansen spelen reeds mee in de gedachten van de pioniers.In de drie wetgevingen zijn de elementen feit, gevaar en bedreigde ontplooiingskansen aanwezig.

De wet op de kinderbescherming legt echter vooral de nadruk op gepleegde feiten : die zijn constateerbaar, die hebben zich voorgedaan, die vormen de basis om in te grijpen. Dit kan begrepen worden vanuit de toen heersende positivistische kijk op menselijk gedrag en samenleven; het rechtsreekse verband dat men meende te kunnen leggen tussen feiten uit het verleden die bepaalde voorspelbare gevolgen hebben voor de toekomst. Ten gevolge van die feiten zullen dan ook de maatregelen vrijwel de volledige toekomst bepalen : ontzetting uit de ouderlijke macht, slechts te herzien na jaren; de plaatsingen worden ook voorzien tot aan de meerderjarigheid. Men treedt gezinsvervangend op.

De wet op de jeugdbescherming legt de nadruk op de toestand, de situatie waarin het kind zich actueel bevindt, en waarin dit kind actueel bedreigd wordt. Wat bedreigd wordt is zijn gezondheid, zijn veiligheid en zijn zedelijkheid. Deze begrippen verwijzen naar een actuele gezondheids- enz.-toestand. De omschrijvingen worden vager. De toestand wordt bepaald door het milieu, bezigheden en omstandigheden die nu bedreigend zijn voor de gezondheid enz.. De gevaarstoestand in 1912 wordt nog beschreven in duidelijke (feiten aanduidende) termen : slechte behandeling, misbruik van gezag, slecht levensgedrag, erge nalatigheid in het vervullen van hun wettelijke verplichtingen. De afgevaardigde zal zich in 1965 een oordeel moeten vormen over de actuele toestand. Ook hierin zullen feiten, en dus het verleden, een rol spelen, maar dit wordt toch in een minder deterministische visie geplaatst.

De problematische opvoedingssituatie verwijst echter naar de bedreiging van de kansen op ontplooiing. Een kans is iets wat nog moet verwezenlijkt worden. Ook het begrip ontplooiing is een dynamisch begrip. Er zit in het begrip beweging naar de toekomst. De feiten worden alsmaar vager. De blik naar de toekomst als ontwerp, m.a.w. waarin men eigenlijk de huidige problematische toestand eerder beschouwt als een vertrekbasis, een uitgangspunt voor de toekomst (in plaats van als een resultante van allerlei feiten), brengt mee dat men ook open staat voor een veel bredere waaier van voorzieningen, van mogelijke antwoorden op of kansen voor die toekomst. Als de toekomst nu te ontwerpen is, blijft ze dat en moet dus eigenlijk op alle mogelijke momenten aanpassing, verandering mogelijk zijn. Bovendien moet het aanbod zo specifiek mogelijk aangepast zijn aan de gestelde problematiek. In deze laatste visie herkennen we hoe dit benadrukken van de individualiteit, de uiteindelijke doorbraak lijkt aan te duiden van het burgerlijke ethos (Lauwers, 1987, p.83).

Het verleggen van het accent in de jeugdbescherming van de ene topic naar de andere lijkt op het verleggen in het aangrijpingspunt van het accent van het verleden, over het heden naar de toekomst. De aanvankelijke bedreigde in 1912 was de sociale orde, de gemeenschap (cfr. Congres KB 1920). Nu helt de balans in de teksten over naar het bedreigde individu als ontwerper van zijn eigen toekomst. De paradox vind ik toch weer dat juist nu alle teksten het hebben over ontplooiing, terwijl de sociale ruimte ertoe meer en meer lijkt te ontbreken, de ervaren machteloosheid steeds groter wordt. Maar het is misschien juist wanneer het ontwerpen van de toekomst minder vanzelfsprekend wordt, dat het dan juist onder de sociale en wetenschappelijke aandacht komt.

Schema gevaarstoestand

1912

1965

1985

De burgerlijke rechtbank
treedt op in
gevaarssituaties, d.i.:

Het JB-comité
treedt op in
gevaarssituaties, d.i.:

Het Comité BJB
treedt op in
problematische opvoedingssituaties, d.i.:

als de ouders
de gezondheid,
de veiligheid of
de zedelijkheid
van

als
de gezondheid,
de veiligheid of
de zedelijkheid
van

als
de fysische integriteit,
de morele, affectieve,
intellectuele en sociale

hun kinderen
in gevaar brengen

de minderjarige
gevaar loopt

ontplooiingskansen van de minderjarige
in het gedrang komen

door
slechte behandeling,
misbruik van gezag,
hun slecht levensgedrag of erge nalatigheid in het vervullen van hun wettelijke verplichtingen

wegens
het milieu waarin hij leeft

wanneer
de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van diegenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren;

wegens
zijn bezigheden

door
de omstandigheden waarin ze leven

door
relationele conflicten

door
bijzondere gebeurtenissen


Eerste versie 28 februari 2004
Laatste aanpassing :