De wet van 1965

‘Sociale jeugdbescherming’
vanaf 8 april 1965

Principes – Taak van de Comités

De wet van 8 april 1965 splitst de kinderbescherming op in sociale bescherming enerzijds en gerechtelijke bescherming anderzijds. De sociale bescherming richt zich op drie vlakken : individuele preventieve sociale actie, algemeen preventieve sociale actie en medewerking met de bevoegde gerechtelijke overheden. Ze zal worden uitgevoerd door de jeugdbeschermingcomités.

Principes

  1. Het eerste principe waarop de tussenkomst van de sociale jeugdbescherming is gebaseerd is de gevaarssituatie van de minderjarige.
  2. Het tweede principe is de attitude van de ouders tegenover de gevaarssituatie. Deze is bepalend om de sociale en gerechtelijke bescherming van elkaar te onderscheiden. Ook voor deze laatste vorm van jeugdbescherming wordt de gevaarssituatie immers de centrale notie. Zo zullen de comités optreden wanneer de ouders niet zelf de gepaste middelen ter hand nemen om reden van onbekwaamheid, onwetendheid of nalatigheid; wanneer ze geen voldoende of voldoende aangepaste hulp hebben gevonden bij de instellingen die zich met de (algemene) preventie bezighouden; wanneer de ouders zélf de hulp aanvragen of aanvaarden ;
  3. bovendien dringt men er in de handleiding ook op aan dat de minderjarige zelf zijn instemming zou betuigen met de voorgestelde actie. Dit laatste element is evenwel niet in de wet opgenomen.

Taak van de Comités

De taak van de comités is drievoudig.

  1. Er is ten eerste de individuele preventieve sociale actie. De ervaring met de “pretoriaanse” acties gevoerd door de gerechtelijke overheden hadden aangetoond dat maatregelen gebaseerd op de medewerking van de belanghebbenden meer succes hadden. De preventieve sociale actie is dan ook grotendeels op deze ervaring gebaseerd. Verhellen noemt dit eerder “sociale profylaxis” (1986, p.179 e.v.) dan preventie. Ze is wel relatief preventief t.a.v. een gerechtelijke tussenkomst, die op haar beurt in dezelfde zin preventief zou zijn t.a.v. de bestrijding van de “volwassen delinquentie”.
  2. Over het tweede niveau, de algemene preventie, staat weinig in de wet. Het gaat enerzijds om het inlichten van de bevoegde overheden over feiten, zoals spijbelen, weglopen, drug- en alcoholmisbruik, jeugdcafé’s, porno, huisvesting, e.a.. Anderzijds om het bevorderen, oriënteren en coördineren van alle initiatieven voor een betere bescherming van de jeugd.
  3. Tenslotte betekent de medewerking met de gerechtelijke bescherming o.o. dat de procureur een zaak naar het jeugdbeschermingscomité kan verwijzen voor verdere opvolging.

Eerste versie 30 november 2003
Laatste aanpassing :