Kinderbescherming

Ontwikkelingen in de kinderbescherming
in Vlaanderen

Met de term ‘kinderbescherming’ verwijzen we naar de wetgeving op de kinderbescherming (1912), de jeugdbescherming (1965) en de bijzondere jeugdbijstand (1985) en de ideeën en activiteiten waaruit de genoemde kaders voortspruiten.

De negentiende eeuw

De kinder- en jeugdbescherming weekt zich in de negentiende eeuw definitief los van de traditionele armenzorg. Er is meer specifieke aandacht voor ‘moreel verwaarloosde kinderen’ die niet per se in de categorie van de ‘armen’ passen. Daarnaast worden de bestraffingen voor ‘delinquente’ kinderen meer dan vroeger en systematischer voor heel het land, aan hen aangepast. Ook in het beperken van de ouderlijke macht gaat men zich meer op specifieke rechtspraak beroepen. Verder streefde men er naar de kinderen bij opsluiting beter te scheiden van de volwassenen. Dat leidde tot aparte jeugdgevangenissen en rijksinstellingen voor hun heropvoeding. De private sector deed ook haar duit in het zakje, en kindertehuizen werden opgericht in heel het land. De idee van heropvoeding ging gepaard met patronage. Tegen het einde van de eeuw waren in alle gerechtelijke arrondissementen voorname burgers en dames als vrijwilliger aan het werk om jongeren en hun gezinnen bij te staan en desnoods de kinderen te plaatsen in instellingen of pleeggezinnen.

De kinderbescherming

Het eerste hoofdstuk van de wet op de kinderbescherming van 1912 betreft de ontzetting uit de ouderlijke macht. Onder meer wanneer de gezondheid, veiligheid en zedelijkheid van het kind gevaar loopt, werd een ontzetting uit de ouderlijke macht mogelijk. Het was niet langer de strafrechter, maar de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg die de ontzetting zou uitspreken.
Met het tweede hoofdstuk wordt een nieuwe rechtbank ingesteld die als opdracht heeft “recht te spreken over minderjarigen”. Naast de kinderrechter deed ook de “afgevaardigde ter kinderbescherming” zijn intrede. Dat waren lange tijd vooral vrijwilligers, vooral ook dames. Hoewel de kinderrechters ook vaste, bezoldigde afgevaardigden mochten aanstellen, bleef hun aantal heel beperkt. Pas in 1949 werd de sociale dienst opgericht. Het aantal vaste afgevaardigden zou trouwens pas na de wet van 1965 in grote getale toenemen.


Eerste versie 15 januari 2020
Laatste aanpassing :