1904. De kinderrechter: met de Red Star Line naar België

SS Kroonland, painted in 1903 by Antonio Jacobsen (1850–1921) – Wikimedia
Maandagnamiddag 10 oktober 1904 om 14 uur liep in de haven van Antwerpen de Kroonland binnen. Het oceaanschip maakte deel uit van de Red Star Line en keerde terug van New York. Samen met tientallen gedesillusioneerde en berooide mijnwerkers, gingen ook 145 kajuitpassagiers van boord, onder wie de heer en mevrouw Henri Carton de Wiart. Hij was volksvertegenwoordiger voor de christendemocraten en zij – Juliette Verhaegen met haar meisjesnaam – was een al even sociaal geëngageerde activiste voor de kinderbescherming.

Allebei waren ze vol enthousiasme over wat ze tijdens hun reis in de Verenigde Staten hadden opgestoken van de “Children’s Courts” . Met ingehouden opwinding, want hoe moesten ze het aanpakken om ook in België de jeugdmisdadigheid met kinderrechters aan te pakken? Dit idee van “een enkele rechter met bijna onbeperkte bevoegdheden, die de verdachte als het ware onder zijn hoede neemt” lag niet bepaald in lijn met de ons vetrouwde tradities:

Een dergelijk concept druisde in tegen alle opvattingen en gewoonten van onze juristen en magistraten en zette zowel het fetisjisme van de collegialiteit van rechters, het traditioneel aan strafrechtbanken toegekende karakter als het heilig verklaarde beginsel van de in kracht van gewijsde gegane uitspraak op losse schroeven.


De reis naar Amerika

De hervorming van de kinderbescherming stond feitelijk niet op hun agenda toen het echtpaar op 20 augustus 1904 met de Kroonland uit Antwerpen vertrok naar New York. Zoals enkele tientallen andere Belgische volksvertegenwoordigers was hun bestemming een interparlementaire vredesconferentie in Saint-Louis, Missouri. Ze zouden daar aan de Amerikaanse president Roosevelt vragen om te bemiddelen in de Russisch-Japanse oorlog die al zeven maanden aan gang was. De conferentie vond plaats tijdens de World’s Fair of wereldtentoonstelling die daar ook al maandenlang liep.

De Belgische volksvertegenwoordigers die deze reis maakten, waren zich er ook van bewust dat de Amerikaanse pers erop gebrand was om hen vragen te stellen over het Congo-beleid van de Belgische koning. Leopold II had in juli 1904 een internationale onderzoekscommissie geïnstalleerd nadat de Britse regering in februari een vernietigend rapport had gepubliceerd over de wandaden in Congo-Vrijstaat.

Maar daarnaast was er gelegenheid genoeg om het prestigieuze Belgische paviljoen te bezoeken, gemodelleerd naar het stadhuis van Antwerpen. Op hun rondreis keken ze hun ogen uit om allerlei nieuwigheden te ontdekken. Carton de Wiart vermeldt de tuinwijken, de electrische keuken, het verbod op alcoholische dranken, de sportvelden, enz.. Verder werd de tijd natuurlijk gevuld met banketten en een ontmoeting van de Belgische volksvertegenwoordigers met de president zelf.

De Children’s Courts

In april 1904 had Samuel J. Barrows, de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de International Prison Commission zijn rapport over de kinderrechtbanken voorgelegd aan het Huis van Afgevaardigden. Deze rechtbanken functioneerden al een vijftal jaren in de Verenigde Staten en het was dus tijd om te rapporteren over “their origin, development, and results.” In zijn Souvenirs dacht Henri Carton de Wiart met enige ontroering terug op deze kennismaking en de lotgevallen die daarmee gepaard gingen:

“We waren onder de indruk van de superioriteit van het systeem van deze ‘courts’, waarvan Lindsey, de rechter uit Denver, ons de werkwijze had onthuld, ten opzichte van ons Belgisch strafrechtelijk stelsel dat nog steeds gebaseerd was op het zoeken naar onderscheidingsvermogen en het principe van repressie. We hadden een strafrechtdeskundige van daar, professor Henderson uit Chicago, met humor horen zeggen: “Een kind in de gevangenis stoppen, is het op een glijbaan rechtstreeks naar de hel sturen”, en we hadden nagedacht over de wrede en verontrustende waarheid die in zo’n grap schuilging.

Terug in België

Terug in België neemt het echtpaar Carton de Wiart elke gelegenheid te baat om de idee van de kinderrechtbanken te promoten. Veel rapporten, spreekbeurten, contacten, congressen en internationale bijeenkomsten later lijkt de droom te zullen uitkomen. Maar een krachtig slotoffensief is nog nodig om de hervorming definitief over de streep te trekken. Wanneer Henri Carton de Wiart in juni 1911 zelf minister van justitie wordt zette hij er de turbo op.

Carton de Wiart slaagde er in de kinderrechtbanken toe te voegen aan het al 25-jaar lang sudderende wetsontwerp op de kinderbescherming. Daarin waren de bepalingen rond de ontzetting uit de ouderlijke macht en de verscherping van de bestraffing van misdrijven tegen de zedelijkheid of de kwetsbaarheid van kinderen al langer gaargestoofd. Samen met dit nieuwe hoofdstuk over de kinderrechters vormden ze de eerste wet op de kinderbescherming, goedgekeurd op 12 mei 1912. Vanaf 1 oktober 1912 zijn de kinderrechtbanken in België een feit.

Bronnen en opmerkingen

  • Samuel J. Barrows, Children’s Courts in the United States. Their origin, development, and results. Reports prepared for The International Prison Commission. House of Representatifs, 25 april 1904.
  • Henri Carton de Wiart, Souvenirs politiques (1878-1918), Brussel, 1948. Zie website Unionisme.
  • Diverse krantenartikels.
  • De afbeeldingen van de Kroonland, Henri Carton de Wiart en Juliette Verhaeghen zijn afkomstig van Wikimedia.
  • In 1922 kreeg jonkheer Henri Carton de Wiart de titel graaf. Hij was het jaar daarvoor eerste minister geweest. Hij was eerder al in de adel verheven sinds 6 oktober 1904.
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1833. Een vondeling bij pastoor Zwijsen

behoorlijk gewikkeld in witte linnen doeken

“Op heden den negentienden January 1800 drie en dertig circa negen uren werden mij D. Botermans Commissaris van Politie der stad Tilburg door Wilhelmus Mutsaers oud 29 Jaren, wonende als knegt bij den Heere Zwyzen Roomsch Pastoor van de Parochie het Heiken alhier verzocht ons dadelijk te begeven ten Huize van gemelden Heer Pastoor, het welk wij onverwijld deden.
En aldaar gekomen zijnde werd ons door genoemden Heer Pastoor gezegd dat ongeveer een uur geleden, aan zijn huis … Pastorij werd gescheld. Dat zijn gemelde knegt de deur opende en als toen niemand bespeurde als eene overdekte mand, welke geplaatst was op eene publieke straat digt bij de deur van gezegde pastorij. Dat hij zich op die tijding dadelijk had naar buiten begeven en gemelde mand op genoemde plaats vond staan en twijfelde dat er beweging of iets dat leefde in bespeurde. Dat hij daarop dadelijk, dezelve door zijn gezegde knecht, bij hem heeft doen binnen dragen, en als daer in dezelve bevond een eerstgeboren kind en eene kruik met warm water.
Waar op wij gemelde mand welke bij het vuur stond tot verwarming hebben geëxamineerd en in dezelve bevonden een eerst geboren kind van het mannelijk geslacht, behoorlijk gewikkeld in witte linnen doeken, en om dezelve twee lappen grijs laken welke wij voor twee slippen van een militaire capot … hebben aangezien en hebbende een witte catoene muts op het hoofd, als ook een kruik warm water aan de voeten geplaatst. Alles in tegenwoordigheid van den Wethouder ambtenaar van den Burgerlijken Stand dezer Stad.
Wij hebben daar op dadelijk het gemelde kind door den armmeester alhier het onderhoud, nourituur en opvoeding doen bezorgen, het welk dan ook dadelijk is gesteld geworden ten huize van De wed~ J. de Groot van beroep spinster wondende in de wijk Aer.. en Broekhoven alhier.
Het hier in vermelde kind heeft den naam bekomen van Antonius Van de Straat.”

Bronnen en opmerkingen

* Bron: Geboorteakte nr 24, gemeente Tilburg, 21 januari 1833. De vondeling werd elf jaar later erkend door Goverdina Melis.
* Grosso modo werden in onze streken in de honderd jaren tussen 1760 en 1860 buitengewoon meer vondelingen genoteerd dan in de jaren ervoor of erna.
* Pastoor Zwijsen is de latere aartsbisschop Joannes Zwijsen (1794-1877). Zwijsen was pastoor van de St.-Dionysiusparochie ( ’t Heike) in Tilburg van 1832 tot 1854, ook al werd hij in 1842 bisschop gewijd (zij het nog zonder bisdom in Nederland).
* Zwijsen was actief in de kinder- en jeugdzorg. Met de door hem in 1844 opgerichte Congregatie der Fraters van O.L. Vrouw Moeder van Barhartigheid, werd het Rooms katholiek Jongensweeshuis opgericht in Tilburg in 1845. De drukkerij van het weeshuis zou later uitgroeien tot de nog bestaande uitgeverij Zwijsen.
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1913. Carton de Wiart en de kinderbescherming

Cette oeuvre d’alchimie morale

De private werken die zich rond de eeuwwisseling bezighielden met kinderbescherming of kinderwelzijn waren burgerlijke initiatieven, voornamelijk uitgevoerd door dames. Ze ontwikkelden zich aanvankelijk beide onder de noemer “kinderbescherming”. Twee van de oudste beroepen ter wereld speelden daarbij echter een grote rol. De rechter en de dokter werden de sleutelfiguren in respectievelijk de kinderbescherming (1912) en het kinderwelzijn (1919). Samen met de vrouwen zullen ze zich wijden aan dit werk van ‘morele alchemie’ dat erin bestaat om miserie, onwetendheid en ondeugd om te toveren in gezondheid, deugd en geluk. De sociale rol van de rechter stond daarbij in functie van “l’existence même de notre société” (p.414). De sociale rol van de artsen maakte van hen “les gardiens de la race” (p.417).

Overal ontstonden private, semi-officiële en overheisinitiatieven  van heropvoeden en patroneren enerzijds, opvoeden en instrueren anderzijds. Het ging om een beweging die internationaal aan de gang was. Deze heropbeuring van de kinderen gebeurde in hun belang, maar men verborg niet dat deze “soin moral et matériel de l’enfance” de meest solide basis was voor “une bonne construction sociale”. Soms was men nog explicieter.

“cette oeuvre d’alchimie morale qui consiste, avec de la misère, de l’ignorance et du vice, à créer de la santé, de la vertu en du bonheur.” (p.409)

“Partout, (…), s’organisent des juridictions nouvelles, (…), complétées par le patronage de la liberté surveillée. Partout, pour protéger les enfants en instruisant ou en secondant les mères, surgissent des oeuvres de vulgarisation, de consultation, de mutualité.” (p.407)

“Quand nous recueillons un petit être jeté dans la tumultueuse mêlée des bas-fonds sociaux, victime de parents indignes ou de tares profondes, ce n’est pas lui que nous protégeons, ce sont les honnêtes gens que nous défendons; quand nous tentons d’éveiller ou de réveiller à la santé physique et morale des êtres chétifs et faibles menacés par la contamination du crime, c’est la société elle-même que nous défendons contre des atteintes dont l’abandon de l’enfant constitue pour elle le présage et la menace.” (p.408)

Bronvermelding

CARTON DE WIART, Congrès International pour la Protection de l’Enfance, Bulletin de l’Office de la Protection de l’Enfance, Min. de la Justice, Bruxelles, Tome I, 1912 et 1913, p.401-418.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1898. De verdiensten van de voedsters in de Franse Tijd

ces sacrifices ignorés

“Te midden van deze vele verhalen, afkomstig van tijdgenoten, van acteurs die betrokken waren bij dit drama waarin het leven van zoveel broze wezens op het spel stond, zien we deze boerenvrouwen, deze voedsters, die maandenlang geen loon of slechts onbeduidende geldbedragen ontvingen, zonder persoonlijke middelen, zonder brood soms, meestal in hun hart toch de kracht vinden om de aan hen toevertrouwde kleine wezens te behouden.
Ze claimen met veel misbaar wat hen verschuldigd is ; ze belegeren het openbaar bestuur ; ze dreigen er mee de zuigelingen achter te laten zonder moeder ; maar wanneer ze deze dreiging willen uitvoeren, kijken ze naar het arme verwaarloosde kind, gevoed met hun melk. Dan zien we ze terugkeren naar hun stulp, geladen met de kostbare last, liever kiezen voor nog grotere armoede in het huishouden dan dat ze zich zouden lenen tot zo’ n wrede verlating.
Deze moeilijk te begrijpen toewijding, deze genegeerde opofferingen, doen zich voor in ons edele land van Frankrijk ; ze doen ons de misdaden en mislukkingen vergeten en zijn een eer voor het land. Door duizenden kinderen te redden in de moeilijkste tijden, hebben deze nederige vrouwen van ons platteland zich zeer verdienstelijk gemaakt voor God en voor het Vaderland.”

Léon Lallemand blikt in 1898  in zijn werk over “La Révolution et les pauvres” terug op de hervormingen in de armenzorg van de Franse Revolutie. Daarbij komen ook de gevolgen van de hervormingen voor de “Enfants de la Patrie” aan bod die geplaatst waren bij pleeggezinnen op het platteland. De verlaten kinderen voor wie het Vaderland, sinds 1794 ook uitgebreid met België, had beloofd te zullen zorgen. De afschaffing van de oude instellingen voor armenzorg en de oprichting van de nieuwe instellingen verliep nogal chaotisch. Vanuit veel departementen, ook vanuit de Belgische departementen, klonken noodkreten, die Lallemand uitvoerig documenteert. Voor de inspanningen die de voedsters of pleeggezinnen zich getroostten, ondanks alle perikelen, stak hij zijn bewondering niet onder stoelen of banken.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1849. Eenen landman bragt een arm weeskind terug

‘Eenen landman bragt een arm weeskind terug, dat hy op kosten van het bureel van Weldadigheyd had opgevoed. Op het oogenblik der scheyding van zynen aengenomen vader, begon dat kind zoo hevig te schreyen en te roepen, dat eene groote menigte volks zich ter plaetse verzamelde. Den braven landman was zelf zoo diep ontroerd, dat hy den oorlof verzogt en bekwam om het kind weder mede terug te neemen, dat hem liefkoozend om den hals viel.’

Pleegouders werden er in de 19e eeuw vaak van verdacht de kinderen enkel op te nemen om lucratieve redenen. Ze streken het onderhoudsgeld op en verwaarloosden hun pleegkind of buitten het uit. Er waren nochtans geregeld getuigenissen over de gehechtheid tussen pleegouders en hun kinderen, niet alleen in de romantische literatuur, maar ook in de krant. Zoals bovenstaand bericht, waarin ‘den denderbode’ van 4 november 1849 een tafereel beschrijft dat zich toen in Gent afspeelde.

Het kwam voor dat de pleegouders, om een overplaatsing te voorkomen, voorstelden om het kind verder gratis te zullen opnemen. Dat had men in 1822 in Namen op grote schaal ondervonden. De deputatie had er beslist de pleegkinderen terug te sturen naar hun oorspronkelijke gemeenten, omdat die erom gevraagd hadden. Van de meer dan vijfhonderd kinderen die door deze maatregel waren getroffen, waren er tweehonderd van wie de pleegouders bereid waren ze verder gratis te onderhouden, ondanks de staat van behoeftigheid waarin de pleegouders zich zelf bevonden. De maatregel werd naar het schijnt dan toch teruggetrokken.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1893. Leon Lepage vindt gezinsplaatsing een goed systeem.

 Maar meer inspectiebezoeken zijn aangewezen.

“Het lijdt geen twijfel dat het huidige systeem, dat bestaat uit het plaatsen van kinderen bij pleegouders, in het algemeen goed is; maar mensen zijn niet volmaakt, en als de meeste pleegouders de kinderen die bij hen geplaatst zijn als hun eigen kinderen beschouwen en voor hen zorgen, als ze niet aarzelen om ze naar school te sturen, wat trouwens een essentiële voorwaarde is voor iedereen die wezen wil opvangen, dan is het waar dat anderen, in kleine aantallen, een beetje speculeren op het onderhoud van deze kinderen en proberen er zoveel mogelijk profijt uit te halen. Ik zal er daarom bij het bestuur der godshuizen op aandringen dat er meer controlebezoeken zouden plaatsvinden van de inspecteurs die specifiek verantwoordelijk zijn voor het bezoeken van de kinderen die bij pleeggezinnen zijn geplaatst.

Léon LEPAGE op de gemeenteraad van Brussel in maart 1893 naar aanleiding van een discussie over de klacht van een wees die zeven jaar in een pleeggezin doorbracht.
Brussel plaatste zijn weesjongens in pleeggezinnen. In de negentiende eeuw was er enkel een weeshuis voor meisjes, niet voor jongens. Het bleef lange tijd een discussie of men de jongens niet beter zou opvangen in een weeshuis. Het zou vooral hun scholing of opleiding ten goede komen.

Léon Lepage was destijds gemeenteraadslid in Brussel.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1920. Meer zorg op maat, meer gezinsplaatsing, minder bureaucratie.

Hervorming van de Weldadigheid.

“Kortom, het waar belang van de behoeftigen en ongelukkigen is, overal en te allen tijde, niet eene bepaalde soort van onderstand, maar den meest algemeenen, den meest gepasten, den meest door hunne behoeften en hun lijden vereischten onderstand te vinden. (…) Sommige besturen van godshuizen, zoo zij het vermochten, zouden meer ouderlingen in familiën, meer verlaten kinderen en weezen op den buiten uitbesteden. Zulks ware beter voor de behoeftigen en tevens beterkoop dan de buitensporige uitbreiding van toevluchtsoorden en weezenhuizen, die altijd geene goede uitslagen opleveren. De Openbare Weldadigheid moet de handen vrij hebben om doelmatig werk te verrichten en ongetwijfeld is eene der redenen van hare tegenwoordige ontoereikendheid dat al hare handelingen en al hare uitgaven bij voorbaat vastgesteld en geregeld worden, terwijl de behoeften van de overmogenden voortdurend veranderen. Laat ons niet vreezen ze van de strenge bureaucratische overleveringen te verlossen. “

AMEDEE VISART, Wetsvoorstel tot hervorming van de Openbare Weldadigheid. Toelichting. Kamer der Volksvertegenwoordigers. Vergadering van 22 januari 1920.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

1905, de Oudwezenbond. Een uitgesproken tegenstander van gezinsplaatsing.

Schets, uittreksel uit het rapport van Vanden Berghe en Roland op het Internationaal Congres in Luik in september 1905 (vrije vertaling).

“De meeste pleeggezinnen bestaan uit een koppel dat handig van de situatie gebruik weet te maken, en verder een aantal kinderen die, zoals vader en moeder, zich gretig ten koste van de wees, de vreemde eend in de bijt, onttrekken aan allerlei onaangename klussen. Tientallen keren per dag, bij de minste gelegenheid, laat men het hem voelen, de indringer, dat hij de speelbal is van iedereen en alleman : dat er een duidelijke streep wordt getrokken tussen hem en de eigen kinderen van zijn gelegenheidsouders. Regelmatig naar school gaan is een voorrecht dat men hem maar zelden gunt, er zijn immers honderden redenen om die verplichting te ontlopen : het leven is zo hard, ziet u; en verder, zolang het duurt, laat ons genieten van dit buitenkansje dat het Bestuur ons biedt. Zijn al die uren die men besteedt in de klas geen verloren uren voor dit pleegcollectief ? En als de kleine tegenwringt grijpt men onmiddellijk naar de grote middelen : dan regent het verwensingen, zelfs lijfelijke straffen, en de brutaliteit is de stouterik rap de baas. Die buigt tenslotte het hoofd, vastbesloten om krachtig terug te slaan op het geschikte moment.
“Vanaf nu neemt de hypocrisie het over, de leugen wordt het enige efficiënte wapen om nieuwe vernederingen te ontwijken.
“En zo raakt dit goede zaad dat diep in de ziel van elk kind wacht op ontkieming, fataal verstikt. Zo groeit er beetje bij beetje uit deze pupil van de Weldadigheid een verklaarde vijand van deze maatschappij die hem overleverde aan de grillen en de berekeningen van een man en een vrouw zonder hart. Is er iets natuurlijker dan dit ?
“Wanneer dan, op deze manier, de omstandigheden zo’n vervelende situatie hebben opgeleverd, gaan de gezagsdragers, die niet anders zien dan dat zo’n gevallen toenemen, in plaats van dit kwaad bij de wortel aan te pakken, generaliseren en eindigen met woorden te gebruiken als atavisme, aangeboren perversie. Dan roept men om een strenge beteugeling, schrijft strikte maatregelen voor en verwart systematisch de massa eerder gedemoraliseerde dan immorele wezen (dankzij het regime in voege) met de gewoonlijke pensionaires van de hervormingsscholen en de strafkolonies. “

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen