1794-1914

Gezinsplaatsing in de 19e eeuw
1795 – 1914

Een nationale regelgeving

De Franse bezetting zorgde in België voor een reorganisatie van de armenzorg. De overheid trok elke verantwoordelijkheid voor de vondelingen, verlaten kinderen en arme wezen naar zich toe. In het kader van deze nieuwe Bienfaisance Publique of Openbare Weldadigheid werd voor de uitbesteding van kinderen een uitgebreide nieuwe regelgeving op touw gezet. Die overleefde de nederlaag van Napoleon en de opname van België in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815), later ook de Belgische Revolutie en onafhankelijkheid (1830). Deze kinderen voor wie de ouders niet meer wilden of konden opkomen zouden in pleeggezinnen moeten terecht komen, overigens in lijn met de gangbare praktijk in de vorige eeuw.

Het vondelingenprobleem

De Openbare Weldadigheid was niet enkel verantwoordelijk voor de opvang van kinderen. Ook krankzinnigen en ouderlingen werden in pleeggezinnen geplaatst. Met het vondelingenprobleem had men niet enkel een zware erfenis uit de laatste decennia van de achttiende eeuw aanvaard, maar lange tijd hield het iedereen in de armenzorg in de ban zonder dat een oplossing in zicht kwam. Na de afschaffing van de vondelingenschuiven hield het probleem rond 1860 even plots op als het gekomen was.

De opkomende kinderbescherming

In de loop van de negentiende eeuw kregen opiniemakers en gezagsdragers steeds meer aandacht voor het ouderlijk gedrag en haar effecten op het belang van het kind. Schrijnende verhalen van verwaarlozing, vernederingen en wreedheid ondersteunden de vraag van de meelevende burgers om te mogen en kunnen ingrijpen, desnoods tegen de wil van de ouders in. Er wordt geknabbeld aan de eeuwenlang onaantastbaar geachte vaderlijke macht, op dat moment in principe nog stevig verankerd in de Code Napoleon.

Toenemende institutionalisering

De discussie over de waarde van de uitbesteding van de kinderen – er waren nog verlaten kinderen en wezen – bleef echter aanhouden. Waar men voldoende kon overtuigen en het financieel aankon ging men over tot het plaatsen van de kinderen in instellingen. Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw kende de uitbouw van alternatieven een grote boost. Daaraan is onder meer de samenwerking met de private liefdadigheid debet, waarbij de talrijke katholieke congregaties zich niet onbetuigd lieten bij de uitbouw van weeshuizen. Toch bleef uitbesteding voldoende aantrekkelijk, ook financieel, en behield ze haar voorstanders, zodat de praktijk niet verdween.

Eerste versie 25 juli 2016
Laatste aanpassing :