Het besluit van 1797

Besluit van het Directoire
20 maart 1797

Het Directoire – het vijfkoppige bestuur van Frankrijk – kreeg op 27 frimaire V – 17 december 1796 – de opdracht van de Raad van Vijfhonderd (de Wetgevende Vergadering) om de regels uit te werken voor de manier waarop de verlaten kinderen moesten opgevoed en onderwezen worden.

Het arrest van het Directoire over de manier waarop de verlaten kinderen moesten opgevoed en onderwezen worden kwam er op 30 ventose V – 20 maart 1797 : “Arrêté du directoire exécutif concernant la manière d’élever et d’instruire les enfans abandonnés”. De principes, voor zover niet gewijzigd bij latere besluiten, bleven in feite in voege, ook na de uitvaardiging van het decreet van Napoleon in 1811. De bepalingen zijn van toepassing op de gezinsplaatsing van de verlaten kinderen, meer bepaald de vondelingen en daaraan gelijkgestelde categorieën van verlaten kinderen.

1. De kinderen moeten zo snel mogelijk in gezinnen geplaatst worden.

De verlaten kinderen die naar de godshuizen waren gebracht, moesten zo gauw mogelijk door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen geplaatst worden, naargelang hun leeftijd, bij voedsters of in de kost bij particulieren op het platteland. Behalve dan als ze vanwege ziekte of zware ongelukken niet konden vervoerd worden. In afwachting van hun plaatsing moest het bestuur voorzien in al hun behoeften.

2. De pleegouders moeten de kinderen onderhouden en naar school sturen tot ze twaalf jaar worden.

De pleegouders mochten de kinderen maar terugbrengen naar het godshuis als ze verminkt waren of als ze zodanig door ziekte waren aangetast dat ze maatschappelijk werden uitgesloten of niet langer werk konden verrichten waar kracht en handigheid aan te pas kwam. Ze moesten de kinderen behoorlijk voeden en onderhouden, tegen de prijzen en voorwaarden van dit reglement. Ze moesten de kinderen naar de lagere school sturen zodat ze deel hadden aan het onderwijs dat ook aan de andere kinderen van de gemeente of van het kanton werd gegeven. Als de voedsters of de andere personen die belast waren met de zorg voor de verlaten kinderen, weigerden om hen verder op te voeden tot aan de leeftijd van twaalf jaar, moest de commissie van de Burgerlijke Godshuizen ze elders plaatsen onder dezelfde voorwaarden.

3. De pleeggezinnen staan onder toezicht.

De commissaris van het Directoire bij de kantonmunicipaliteit moest erover waken dat de pleeggezinnen die in zijn gebied woonden hun verplichtingen nakwamen. De besturen van de godshuizen moesten hem een lijst van kinderen overhandigen met hun namen en voornamen, die van de pleeggezinnen, en de plaats van hun domicilie. De voedsters en andere bewoners belast met de verlaten kinderen, moesten elke drie maanden hun pleegkinderen komen vertonen aan de agent van hun gemeente, die moest bevestigen of deze kinderen menselijk werden behandeld en onderwezen en opgevoed overeenkomstig de voorschriften van dit reglement. De kinderen moesten ook vertoond worden op eenvoudige vraag van de bevoegde instanties, met name het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen die het kind geplaatst had, of de autoriteiten aan wie de voogdij was toegewezen – vanaf 1805 zijn dat de besturen van de Burgerlijke Godshuizen zelf. Met het certificaat van de gemeentebeambte konden de pleeggezinnen hun maandvergoeding vorderen.

4. De pleegouders ontvangen een maandvergoeding en vergoedingen voor bijkomende kosten.

Men aanvaardde dat de vergoeding voor de pleeggezinnen regionaal kon verschillen, maar voortaan zou het departement het onderhoudsgeld dat moest toegepast worden per arrondissement vastleggen. Er zouden zeven tarieven bepaald worden naargelang de leeftijd van het kind – voor kinderen in hun eerste levensjaar, tweede levensjaar enzovoort. De zevende categorie betrof de kinderen in de leeftijd van zeven tot twaalf jaar. De tarieven moesten rekening houden met de diensten die de kinderen konden leveren op die leeftijd. Er werden bijkomende vergoedingen voorzien, onder andere voor pleegouders die de kinderen tot hun twaalfde jaar hadden opgevangen zonder accidenten of voor de voedster tijdens de eerste negen levensmaanden van het kind.

5. Vanaf twaalf jaar moeten de kinderen een beroepsopleiding krijgen.

Ze konden toevertrouwd worden – ‘in de leer geplaatst’ – aan boeren, artiesten of allerlei vakmannen tot aan hun meerderjarigheid. De pleegouders mochten de kinderen ook zelf houden, maar dan moesten ze zich wel engageren om de kinderen die beroepsopleiding te bieden. In dat geval ontvingen ze een bijkomende kledijvergoeding. De kinderen moesten een vak of een beroep kunnen leren naar hun smaak en mogelijkheden. Daartoe moesten de besturen van de godshuizen contracten afsluiten met de beroepslui die de kinderen ten laste wilden nemen. Dat konden ook scheepskapiteins zijn wanneer het kind zich tot die maritieme dienst voelde aangetrokken.

Eerste versie 13 januari 2020.
Laatste aanpassing :