Het decreet van 1811

Het keizerlijk decreet
van 19 januari 1811

Dit decreet van keizer Napoleon – België maakte toen deel uit van Frankrijk – legde de principes vast voor de opvoeding van alle kinderen die aan de Burgerlijke Godshuizen werden toevertrouwd. Dit “Décret concernant les enfans trouvés ou abandonnés, et les orphelins pauvres” vertrouwde de opvoeding van die drie categorieën kinderen toe aan de Openbare Weldadigheid : de arme wezen, de vondelingen en de verlaten kinderen.

Definities

Om komaf te maken met alle verwarring die was ontstaan over de verschillende categorieën kinderen die moesten geholpen worden, legde het decreet de volgende definities vast :

  • Vondelingen : kinderen van onbekende ouders die gevonden waren op een of andere willekeurige plek of die naar het vondelingenhuis waren gebracht ;
    “nés de père et mère inconnus, [qui] ont été trouvés exposés dans un lieu quelconque, ou portés dans les hospices destinés à les recevoir” (art. 2).
  • Verlaten kinderen : kinderen van ouders die bekend waren en aanvankelijk ook door hun ouders of op hun kosten door anderen waren opgevoed, maar die later werden achtergelaten zonder dat men wist wat er van de ouders was geworden of zonder dat men hen kon bereiken ;
    “nés de père ou de mère connus, et d’abord élevés par eux ou par d’autres personnes à leur décharge, [qui] sont délaissés, sans qu’on sache ce que les père et mère sont devenus et sans qu’on puisse recourir à eux” (art. 5).
  • Arme wezen : kinderen die geen ouders en geen bestaansmiddelen hebben.
    “[qui] n’ayant ni père ni mère, n’ont aucun moyen d’existence” (art. 6).

Vondelingenhuizen en -schuiven

De tegemoetkoming aan het bijzondere probleem van de verlaten kinderen kwam neer op drie maatregelen.

  • Ten eerste was er de schuif : in elk vondelingenhuis moest een schuif voorzien worden waarin de vondelingen konden gedeponeerd worden. Dit was een waarborg voor de anonimiteit van de bevalling en zou kindermoord of abortus moeten tegengaan.
  • Ten tweede was er de verplichting om in elk arrondissement een vondelingenhuis op te richten. In feite waren de vondelingenhuizen bedoeld als een soort doorgangshuis, een depot, waarin enkel zieke of gebrekkige kinderen verbleven.
  • Ten derde, het decreet voorzag ook in de verplichte uitbesteding : deze kinderen moesten uitbesteed worden zodra het kon. In afwachting moesten ze verzorgd worden in het vondelingenhuis.

Voorkeur voor gezinsplaatsing

Het decreet bevestigde de duidelijke voorkeur voor plaatsing van deze kinderen in pleeggezinnen.

  • Pas geboren vondelingen zouden van zodra het kon moeten worden uitbesteed bij een min of bij een voedster tot ze zes jaar oud waren.
  • Kinderen tussen zes en twaalf jaar worden in de kost besteed bij een landbouwer of bij een ambachtsman. Als dit niet mogelijk was – men dacht daarbij aan verminkte en ziekelijke kinderen – zal men ze opvoeden in het hospice. Het kostgeld zou elk jaar ver-minderen tot de leeftijd van twaalf jaar.
  • Dan kwamen de jongens ter beschikking van de marine. Maar als de staat er geen beroep op deed, moesten twaalfjarigen in de leer geplaatst worden, de jongens bij landbouwers of ambachtslui, de meisjes bij huishoudsters, naaisters of andere werkvrouwen, of in fabrieken of manufacturen.
Eerste versie 10 april 2004
Laatste aanpassing :