Context 19de eeuw

  • Ontstaan van kinderbescherming en kinderwelzijn in de 19de eeuw
  • Het begin van de verzorgingsstaat
  • De burgerlijke aanpak van de kinderbescherming

Kinderbescherming
Maatschappelijke context
19de eeuw

Een aantal van deze teksten is een verwerking van het materiaal dat uitgebreider en met bronverwijzing beschreven staat in mijn eindverhandeling 1989-1990 : Erik Zwysen, Jeugdbescherming en Kinderwelzijn in of uit de schemerzone ?, Universitaire Instelling Antwerpen, departement Politieke en Sociale Wetenschappen (nu Universiteit Antwerpen).

Negentiende eeuw
Ontstaan van kinderbescherming en kinderwelzijn

Het ontstaan van de kinderbescherming en het kinderwelziijn situeert zich in de tweede helft van de negentiende eeuw. Deze tijd wordt onder meer gekenmerkt door de bezorgdheid van de burgerij voor het behoud van de sociale orde. De revoluties van 1848 en, in eigen land, de woelingen van 1886 veroorzaakten schokken waarop dringend gereageerd moest worden.

Nieuwe verpaupering. Naast de van oudsher bekende armoede, ontstonden nieuwe vormen van verpaupering en uitbuiting. Rond 1850 trok één vierde tot één derde, hier en daar zelfs de helft van de stedelijke bevolking steun. Kinderen van zeven, zes en zelfs vijf jaar trof men in alle industrieën aan. De jonge arbeidertjes leden vaak aan onvoldoende groei, slechte spijsvertering enz. (Van Isacker, I, p.78).
Het is duidelijk dat de werkvoorwaarden, de veiligheid en hygiëne en de lonen in de industrieën veel ellende veroorzaakten. Gekoppeld aan de slechte huisvesting leidde dit tot promiscuïteit en drankzucht bij de lagere volksklasse. Daaruit trok de burger de conclusie dat de oorzaken van de ellende te zoeken waren in de immoraliteit van de werkman. Voor de hand liggende antwoorden waren dan : heropvoeding, volksverheffing, onderwijs en het aanleren van burgerlijke deugden zoals spaarzaamheid.

Gevaren voor de volksgezondheid. De volksgezondheid leed onder de schadelijke industrieën en de slechte hygiëne in de steden. De verschillende overheden namen maatregelen maar toch drongen diverse instanties zoals de Hogere Gezondheidsraad en de Academie van geneeskunde regelmatig aan op meer en strengere tussenkomsten van de staat.

“Om de volksgezondheid in de hand te werken, moet men niet vreezen toevlucht te nemen tot de wet en de weerspannigen te straffen” (Berryer, p.367).

Toegenomen delinquentie. In de ogen van de burgerij nam ook de delinquentie grotere vormen aan. De strafwetten bestonden al, men wilde dus eerder preventief optreden en vooral de kinderen beschermen. Zij waren slachtoffer van verwaarlozing door of immoraliteit van de ouders. Vandaar dat ze ronddoolden op straat, mensen lastig vielen, schooiden en bedelden. Heropgevoede kinderen zouden minder kans maken om later in de delinquentie terecht te komen.

Het begin van de verzorgingsstaat

De sociale problemen van armoede, hygiëne en misdadigheid brachten zowel het individu als de samenleving in het gedrang. Men kwam tot een enigszins paradoxale aanpak.

  • De burger zag de samenleving bedreigd en daarin ook zijn positie waaraan hij een gevoel van persoonlijke waardigheid ontleende. Om deze samenleving te redden zal hij zich daarom toespitsen op het verheffen van de waardigheid van het individu.
  • De proletariër werd daarentegen rechtstreeks als individu bedreigd. Hij ervaarde dagelijks dat hij niet als een gelijkwaardige medeburger beschouwd werd. Om uiteindelijk zichzelf te redden zal hij zich toespitsen op het stimuleren van de gelijkwaardigheid van individuen. Hiermee richtte hij zich op een structurele aanpak van de problemen.

Beide tendensen zullen elkaar vinden in de verzorgingsstaat. Ze staan wederkerig tot elkaar als middel en doel : de samenleving wordt gered door het verheffen van het individu en omgekeerd.

De burgerlijke aanpak van de kinderbescherming

Zowel de jeugdbescherming als het kinderwelzijn waren burgerlijke initiatieven, voornamelijk uitgevoerd door dames. Ze ontwikkelden zich aanvankelijk beide onder de noemer “kinderbescherming”. Twee van de oudste beroepen ter wereld speelden daarbij een grote rol. De rechter en de dokter werden de sleutelfiguren in respectievelijk de jeugdbescherming en het kinderwelzijn. Samen met de vrouwen zullen ze zich wijden aan “cette oeuvre d’alchimie morale qui consiste, avec de la misère, de l’ignorance et du vice, à créer de la santé, de la vertu en du bonheur.” (Carton de Wiart, 1913, p. 409)
De sociale rol van de rechter stond in functie van “l’existence même de notre société” (p.414). De sociale rol van de artsen maakte van hen “les gardiens de la race” (p.417).

Overal ontstonden private, semi-officiële en overheisinitiatieven  van heropvoeden en patroneren enerzijds, opvoeden en instrueren anderzijds. Het ging om een beweging die internationaal aan de gang was :

“Partout, (…), s’organisent des juridictions nouvelles, (…), complétées par le patronage de la liberté surveillée. Partout, pour protéger les enfants en instruisant ou en secondant les mères, surgissent des oeuvres de vulgarisation, de consultation, de mutualité.” (Carton de Wiart, 1913, p.407)

Deze heropbeuring (“relèvement”) van de kinderen gebeurde in hun belang, maar men verborg niet dat deze “soin moral et matériel de l’enfance” de meest solide basis was voor “une bonne construction sociale”. Soms was men nog explicieter :

“Quand nous recueillons un petit être jeté dans la tumultueuse mêlée des bas-fonds sociaux, victime de parents indignes ou de tares profondes, ce n’est pas lui que nous protégeons, ce sont les honnêtes gens que nous défendons; quand nous tentons d’éveiller ou de réveiller à la santé physique et morale des êtres chétifs et faibles menacés par la contamination du crime, c’est la société elle-même que nous défendons contre des atteintes dont l’abandon de l’enfant constitue pour elle le présage et la menace.” (Carton de Wiart, 1913, p.408)


Eerste versie 7 nov 2003
Laatste aanpassing :